Uitvaartverzorging Linda van Wingen

Gedichten

001  
Ga nooit heen zonder te groeten,
ga nooit heen zonder een zoen.
Wie het noodlot zal ontmoeten,
kan het morgen niet meer doen.
Ga nooit weg zonder te praten,
dat doet soms een hart zo’n pijn.
Wat je ’s morgens hebt verlaten,
kan er ’s avonds niet meer zijn. 

002  
Je hebt iemand nodig,
stil en oprecht,
die als het erop aan komt
voor je bidt of voor je vecht.
Pas als je iemand hebt,
die met je lacht en met je grient,
dan pas kun je zeggen:
‘k heb een vriend.   

003  
Heer,
bidden lukt niet altijd
hoe goed ik het ook bedoel
maar als het lukt,
dan sluit de cirkel
en voel ik diep van binnen
de heelheid die er is
tussen U en ons.

004  
Op snelle vleugels vloog je heen,
veel te jong,
veel te vroeg. Herinneringen blijven,
ons hart is leeg ……,
maar ook vol.   

005  
’t Laatste beetje is nu op,
veel was er te verduren.
Het kaarsje is nu opgebrand,
gedoofd zijn alle vuren.
Voor wie ’t aangaat is ’t niet erg,
die heeft genoeg geleden.
Wel voor hen die hij achterlaat.
“Vaarwel” en “Rust in vrede”.   

006  
Sterven doe je niet ineens,
maar af en toe ’n beetje,
en alle beetjes die je stierf,
’t is vreemd, maar die vergeet je,
het is je dikwijls zelfs ontgaan,
je zegt: ik ben wat moe,
maar op ’n keer dan ben je aan
je laatste beetje toe.   

007  
Rust nu maar uit – je hebt je strijd gestreden.
Je hebt het als een moedig mens gedaan.
Wie kan begrijpen, wat je hebt geleden?
En wie kan voelen, wat je hebt doorstaan?   

008  
Moeder zijn is alles geven,
zorgen en leiden, liefde en leven.
Moeder zijn is alles derven,
alles … en tevreden sterven.

009  
Stil ben je van ons heengegaan.
Je hebt altijd voor ons klaargestaan.
Geborgenheid en liefde heb je ons gegeven.
Zo was je hele leven.
Je was een schat voor ons allen.
Je te moeten missen zal ons zwaar vallen.   

010  
Zijn ziekte heeft hij stil aanvaard
vanaf de eerste dag.
Ondanks angst en ondanks pijn
was er telkens weer zijn lach.   

011  
Zo lang gestreden om te leven,
maanden van onzekerheid en pijn.
Maar haar laatste dagen van strijd
waren om bij U, God,
haar Vader te zijn.   

012  
Iemand die me lief was is gestorven.
Die vertrouwde stem is verstomd.
Die vrolijke lach zal niet meer klinken.
Geen kus en geen omhelzing meer.   

013  
Het diepste verdriet
wordt dikwijls verzwegen;
voor ’t diepste geluk
schieten woorden tekort.
Wij zijn met ons diepste verlangen
verlegen waar ’t liefste bezit
slechts herinnering wordt.   

014  
’t Verlies was er al voor het einde,
de rouw, voordat het afscheid kwam
toen die onzekere verwarring
bezit van haar gedachten nam.
Wij voelden mee haar stil verdriet.
Nu rouwen wij, maar treuren niet.   

015  
Je wilde nog zoveel
maar had niet meer de kracht.
Je ziekte had je volkomen in zijn macht.
Je was zo moe.
Je hebt je strijd gestreden.
Je zorgen en verdriet behoren
nu tot het verleden.
Rust nu maar uit.
Je bent bevrijd uit je lijden.
Maar ach, wat is het zwaar
van jou te moeten scheiden.   

016  
Ik ga slapen.
Ik ben moe.
Sluit mijn beide oogjes toe.
Heere, houd ook dag en nacht,
over ….. trouw de wacht.   

017  
En toch – telkens weer –
zullen wij je tegenkomen.
Zeg dus nooit: het is voorbij.
Slechts je lichaam werd ons ontnomen,
niet wie je was en ook niet wat je zei.   

018  
Het is ons maar geleend
de vele mooie dingen.
Ons onbetwistbaar eigendom
zijn de herinneringen.   

019  
Tijdens je leven heb je, je naam
zonder meer eer aangedaan.
Je liefde, warmte en zorgzaamheid
kon je aan vele mensen kwijt.
Dat gaf jouw leven grote inhoud, daarom is het voor ons nu zo koud.
Wij zullen moeten proberen
op fijne herinneringen te teren.   

020  
Een uniek mens is heengegaan.
Nu zijn we verbijsterd en bedroefd,
maar hij zal altijd bij ons blijven
door de onuitwisbare indruk die hij achterlaat.
Overal en altijd verspreidde hij
warmte en liefde.   

021  
Veel fijne herinneringen.
Verzachten onze smart.
Voorgoed uit ons midden.
Maar altijd in ons hart.   

022  
Hij hield van het leven
ondeugd zijn grootste deugd
zijn levenslust eindeloos.
Al heeft hij ons verlaten,
hij laat ons niet alleen.
Wat wij in hem bezaten,
is altijd van ons heen.   

023  
Het is tijd, ik moet nu gaan.
Ik zal geen afscheid nemen.
Kijk naar me uit in de regenbogen.
Hoog in de lucht.
Als de zon weer opkomt.
En de hele wereld nieuw is.
Kijk dan naar me uit en hou van me.
zoals ik van jou gehouden heb.   

024  
Opgewekt en zorgzaam, nooit vragend.
Nimmer klagend, altijd stil dragend.
Moedig ging je door, steeds weer.
Tot op het laatste moment.
Het wilde niet meer.   

025  
’t Liefste dat ik heb bezeten,
… jaar de spil van mijn bestaan,
vraag me niet dat te vergeten
en gewoon weer door te gaan.  

026  
Als de draad wordt doorgeknipt,
voel je pas de diepte van verbonden zijn,
voel je pas de pijn van verwond
en alleen te zijn.   

027  
Een glimlach om je mond
en je ogen die toch weten wie
mij het allerliefste was.
Die zal ik nooit vergeten.   

028  
Altijd zullen wij je weer tegenkomen.
Wij zeggen veel te vlug: het is voorbij.
Er is toch enkel maar je lichaam weggenomen,
niet wie je was en ook niet wat je zei.   

029  
Een vechter, zoals wij van je gewend
waren tot op het laatste moment.
Je was een man van weinig woorden,
duidelijk herkenbaar voor diegenen die bij je hoorden.
Een man, vader en opa waar je op kon bouwen,
met een woord waarop je kon vertrouwen.
Achter je ligt een leven van werken en plicht
en juist dat bepaalde in alles je gezicht.
Zo bescheiden ben je gestorven.   

030  
Zijn plaats is leeg.
Zijn stem is stil.
Een ieder die hem kende,
weet wat dit zeggen wil.   

031  
De grote strijd, van zovele jaren,
is voor jou voorgoed voorbij.
Het was heel zwaar, dat is te verklaren,
al waren wij dagelijks aan je zij.
Heel ver zijn wij met je meegegaan
totdat het niet meer kon.
Dit laatste moest je alleen doorstaan.
Je vocht en overwon!
Heel dapper heb je dit kruis gedragen,
je geloof gaf je moed en kracht.
Jaren van dragen, zonder klagen,
en zo heb jij je strijd
volbracht!   

032  
In stille dagen van woordloos klagen,
in eenzaamheid werden mijn gedachten
omhoog geleid en ik weet nu dat de dood
niet het einde is.   

033  
Herinner mij, maar niet in sombere dagen.
Herinner mij, in stralende zon,
hoe ik was, toen ik alles nog kon.


034  
Waar mensen, mensen zijn
die elkaar verstaan,
waar liefde, liefde is,
daarheen wil ik gaan;
waar het eeuwig vrede is,
waar de zon schijnt,
waar een nieuwe wereld is
die niet meer verdwijnt.   

035  
Al heeft zij ons verlaten,
zij laat ons nooit alleen.
Wat wij in haar bezaten,
is altijd om ons heen.
Als zonlicht om de bloemen,
een ieder goed gezind.
Teveel om op te noemen,
door iedereen bemind.   

036  
Als ik de dingen niet meer weet,
als ik de namen niet meer ken
en wat ik weet meteen vergeet
zodat ik onherkenbaar ben,
denk dan aan de weg door mij gegaan.
Zo heb ik het niet voor niets gedaan.

037  
Als je in je levensstrijd
warmte om je hebt verspreid,
als je iemand die daar treurt,
hebt getroost en opgebeurd,
als je hielp waar je het kon
aan wat licht en aan wat zon,
als je een goed voorbeeld geeft
heb je niet voor niets geleefd.   

038  
Boven de sterren verdwijnt eens het duister,
daar wordt eens alles ontraadseld, onthuld,
daar zal het lijden des harten eens zwichten,
daar wordt de vreugde eens blijvend vervuld.

039  
Eens breekt het koord,
en niets voorkomt een val.
Maar onder ons zijn eeuwige vaderarmen,
het vangnet van Zijn liefde en erbarmen,
waarin Hij ons voor eeuwig bergen zal.   

040  
God bewaart de namen,
liefdevol, zorgvuldig.
Hij oogst ze, bindt ze op Zijn hart.
En met ons aller namen
bouwt Hij de nieuwe dag,
waarop Hij zelf de tranen drogen zal
van wie vandaag nog huilen.   

041  
De mensen van voorbij,
zij blijven met ons leven.
De mensen van voorbij,
ze zijn met ons verweven
in liefde, in verhalen,
die wij zo graag herhalen,
in bloemengeuren, in een lied
dat opklinkt uit verdriet.
De mensen van voorbij,
zij worden niet vergeten.
De mensen van voorbij
zijn in een ander weten.
Bij God mogen ze wonen,
daar waar geen pijn kan komen.
De mensen van voorbij
zijn in het licht, zijn vrij.   

042  
Hij heeft alleen je lichaam weggenomen,
niet wie je was en ook niet wat je zei.
Ik zal nog altijd grapjes met je maken.
We zullen samen door het stille landschap gaan.
Nu je mijn handen niet meer aan kunt raken,
raak je mijn hart nog duidelijker aan.   

043  
Welgedaan en welgeleefd,
heengegaan en niet gebeefd.
Veel gelachen en geleden,
ook gehuild en vaak gebeden.
Soms getwijfeld, blijven hopen,
naar Gods glimlach toegelopen,
door de Heer bij de hand genomen,
bij de Here thuisgekomen.   

044  
Je bent niet dood, je mag voor eeuwig leven,
je bent verlost van onvolkomenheid,
van pijn en verdriet, God zal je geven
een onbegrensd geluk in onbegrensde tijd.   

045  
God geeft aan ons.
Zijn liefde mee.
Het is een baken in de zee.
Een schuilhut tegen felle kou.
Een onderdak voor mij en jou.   

046  
Je hebt je strijd ten einde toe gestreden
tot God je riep, Hij nam je bij de hand.
Hij heeft geluisterd naar je vurige gebeden,
je stap voor stap geleid naar het beloofde land.
En naast de droefheid, die we moeten dragen,
is er het weten: God heeft je bevrijd;
Hij gaf ons niet het antwoord op ons vragen,
maar schonk ons uitzicht op Zijn Eeuwigheid.   

047  
Zijn leven moesten wij loslaten,
in ons leven houden wij hem vast.   

048  
Doodgaan is niet zo erg
kan zelfs bevrijdend zijn.
Afscheid nemen van allen
die je liefhebben,
dat doet pijn.   

049  
De dood bestaat niet.
De mensen sterven pas als ze vergeten zijn.
Zolang jij aan mij blijft denken,
zal ik altijd bij jou zijn.   

050  
Nooit vragen, nooit klagen,
alles altijd zelf dragen.  

051  
De mooiste bloemen
worden het eerst geplukt.   

052  
Van het concert des levens
krijgt niemand een program.   

053  
Wanneer het leven lijden is,
brengt sterven verlossing.   

054  
Dank voor je liefde,
dank voor je trouw.
Ik zeg je bij deze,
dat ik van je hou!   

055  
Verdrietig maar moedig had hij zich
in het onvermijdelijke geschikt.
Zijn zorg en belangstelling gingen
altijd eerst uit naar anderen.
Dat is tot het laatste zo gebleven.   

056  
Wat van binnen zit,
dat blijft raden …
… Maar alle goeds,
dat spreekt vanzelf…   

057  
De leegte blijft,
maar wij geloven en ervaren dat hij,
die wij liefhebben en verloren,
niet meer is waar hij was,
maar altijd zal zijn waar wij zijn.   

058  
Zijn handen hebben voor ons gewerkt.
Zijn hart heeft voor ons geklopt.
Hij was een onvergetelijke vader.   

059  
Een goed mens
een lieve vrouw
een fantastische moeder.   

060  
God heeft ons geen kalme reis beloofd
maar wel een behouden aankomst.   

061  
De dood van één mens lijkt klein
en onbelangrijk in vergelijking tot grote rampen als oorlogen.
Toch is de dood voor iedereen het grootste wat hem kan overkomen
en het onbegrijpelijkste.   

062  
Zij was de spil van ons gezin.   

063  
Lieve Ma, wij zijn dankzij jouw liefde
en zorgen geworden wie wij zijn.
Je blijft en hoort bij ons voor altijd,
waar je ook bent.   

064  
Jij was onze rots in de branding.
Wel verloren, maar nooit vergeten.   

065  
Mijn ogen turend
langs velden, langs wegen.
Nergens meer een glimp van jou.   

066  
Ogen gevuld met tranen.
Voorgoed weg uit het heden,
maar voor altijd in mijn verleden.   

067  
Hoe te aanvaarden dat je gaat,
als je volop in het leven staat?   

068  
Zijn liefde, persoonlijkheid en
levenshouding zal bij ons in dankbare
herinnering blijven voortleven.   

069  
Plotseling ging jij heen.
Nu ben ik alleen.
Onuitsprekelijk verdriet.
Vergeten zal ik je niet.
Vaarwel.   

070  
Adieu, ons dapper kind.
Je zult er nooit meer zijn.
Tot straks, ons lief kind.
Je zult er altijd zijn.   

071  
Veel gelukkige jaren waren we samen.
Samen waren we één.
Maar nu jij er niet meer bent,
moeten we zonder jou verder
… dus alleen.   

072  
Niet het scheiden doet zo’n pijn,
maar het afgesneden zijn.   

073  
Bij elk afscheid wordt
een herinnering geboren.   

074  
Je handen hebben voor ons gewerkt.
Je hart heeft voor ons geklopt.
Je ogen hebben ons tot het laatst gezocht.
Rust nu maar uit.   

075  
Heel bijzonder, heel gewoon,
gewoon een heel bijzondere man.  

076  
Groot is de leegte en het verdriet.
Mooi zijn de herinneringen die hij achterliet.   

077  
Niemand weet wat leven is,
alleen dat het gegeven is.
En dat van dit geheimenis
God het begin en einde is.   

078  
Niet belangrijk is de weg die je gaat,
maar wel het spoor dat je achterlaat.   

079  
Omdat er liefde is
bestaat er geen voorbij
in alle eeuwigheid
ben jij.   

080  
Schippers varen naar oost,
schippers varen naar west,
maar wie op God vertrouwt,
vaart het best.   

081  
Zo is het goed,
zo moet ’t zijn
in het licht van God,
het donker vergeten
en kind bij God te zijn.   

082  
Over dit leven
dat is geleefd
spreekt Hij
het laatste
het blijvende woord.   

083  
Gisteren is voorbij,
morgen komt nog,
vandaag helpt God.   

084  
“Daar moet aan iedere bloem een traan,
aan iedere zon een ondergaan,
aan iedere dag een avond wezen.”   

085  
Zover wij konden zijn we met je meegegaan.
Na een moedige strijd ben je van ons heengegaan.
Wij zijn je dankbaar, voor al het goede ons gegeven,
in je voorbeeldige en arbeidszame leven.  

086  
Je kwam van God.
Je was bij ons.
Je blijft in ons hart.
Nu leef je bij God.   

087  
Het verdriet om zijn heengaan
kan nooit zo groot zijn als de
vreugde die hij ons heeft geschonken. 

088  
Kleine zorgen kun je delen
maar er is een soort verdriet
dat kunnen mensen niet meer helen
en dat hoeft ook niet.   

089  
Zijn leven moesten wij loslaten,
in ons leven houden wij hem vast.   

090  
Doodgaan is niet zo erg
kan zelfs bevrijdend zijn.
Afscheid nemen van allen
die je liefhebben,
dat doet pijn.   

091  
Ik heb de goeden strijd gestreden,
Ik heb den loop geëindigd,
Ik heb het geloof behouden.

2 Timotheüs 4 : 7   

092  
Hij die U roept is getrouw,
die het ook doen zal.

1 Tess. 5 : 24   

093  
Jezus zei:
‘Ik ben de opstanding en het leven,
wie in Mij gelooft, zal leven,
ook al is hij gestorven.’

Johannes 11 : 25   

094  
Jezus zei:
’t Hijgend hert, der jacht ontkomen,
schreeuwt niet sterker naar ’t genot
van de frisse waterstromen,
dan mijn ziel verlangt naar God.

Psalm 42 (ber.)   

095  
Jezus zei:
Gelijk het gras is ons kortstondig leven,
gelijk een bloem,
die op het veld verheven,
wel sierlijk pronkt,
maar kracht’loos is en teêr;
wanneer de wind zich over
’t land laat horen,
dan knakt haar steel,
haar schoonheid gaat verloren:
men kent en vindt haar
standplaats zelfs niet meer.

Psalm 103 : 8   

096  
Jezus zei:
De Heer is mijn herder,
mij zal niets ontbreken.

Psalm 23   

097  
Ik kan gaan slapen zonder zorgen,
want slapend kom ik bij U thuis.
Alleen bij U ben ik geborgen.
Gij doet mij rusten tot de morgen
en wonen in een veilig huis.

Psalm 4   

098  
Ruwe stormen mogen woeden.
Alles om mij heen zij nacht,
God, mijn God, zal mij behoeden,
God houdt voor mijn heil de wacht.   

099  
Door een nacht, hoe zwart, hoe dicht,
voert Hij mij in ’t Eeuwig licht.   

100  
Ik ben de opstanding en het leven,
wie in Mij gelooft, zal leven,
ook al is hij gestorven. 

101  
De Heer is mij tot hulp en sterkte:
Hij is mijn lied mijn psalmgezang.
Tel uw zegeningen,
tel ze één voor één.   

102  
Jezus, Uw verzoenend sterven,
blijft het rustpunt van ons hart.   

103  
Dan ga ik op tot Gods altaren.
Tot God, mijn God, de bron van vreugd.   

104  
Ik zie een poort wijd open staan
waardoor het licht komt stromen,
een poort waar ‘k vrijelijk in mag gaan
om vrede te bekomen.   

105  
Zij is verlost.
God heeft haar welgedaan.   

106  
Ruwe stormen mogen woeden,
alles om mij heen zij nacht,
God, mijn God, zal mij behoeden,
God houdt voor mijn heil de wacht.   

107  
Vaste rots van mijn behoud.   

108  
Blijf bij mij Heer, want d’avond is nabij.   

109  
Veilig in Jezus’ armen.   

110  
Wees maar niet bang wanneer de nacht zal komen.
Juist als het donker is, ben Ik je zeer nabij.
Ik wil mijn liefde over je doen stromen.
Mijn moede kind: Vertrouw je toe aan Mij.
Geef Mij je hand.
Ik durf je zo te vragen met Mij te gaan.
Ik zal je helper zijn.   

111  
Niemand leeft voor zichzelf.
Niemand sterft voor zichzelf.
Wij leven en sterven voor God, onze Heer,
aan Hem behoren wij toe.   

112  
Laat mij, o Heer,
mijn leven in Uw handen leggen.
En leer mij telkens weer:
“Uw Wil geschiede …” zeggen.   

113  
Door de goede machten wonderbaar geborgen
verwachten wij getroost wat komen mag.
God is met ons in d’avond en de morgen
en zeer beslist op elke nieuwe dag.   

114  
En niet onverwacht
werd hij opnieuw geboren en getogen.
God heeft zijn licht ontstoken in de nacht en gaf hem een levend hart
en nieuwe ogen.   

115  
Je bent je weg gegaan,
in wind en tegenwind,
in licht en donker,
in voor- en tegenspoed.
Zo hebben wij elkaar ontmoet.
En toch, God droeg je in de palm van Zijn hand.
Zie, Ik heb u in mijn handpalmen gegrift.

Jesaja 49 :16   

116  
God heeft ons geen kalme reis beloofd,
maar wel een behouden aankomst in Jezus Christus.   

117  
Heer, leg Uw stille dauw van rust
op onze duisternis.
Neem van ons hart de vrees, de lust,
en maak ons innerlijk bewust
hoe schoon Uw vrede is.   

118  
“Ik weet aan wie ik mij vertrouwe,  
al wisselen ook dag en nacht.   
Ik ken de rots waarop ik bouwe:   
hij feilt niet, die Uw heil verwacht”.   

119  
Neem, Heer, mijn beide handen
en leidt Uw kind
tot ik aan de eeuwige stranden
de ruste vind.  

120  
Veilig in Jezus’ armen.  

121  
Wees maar niet bang wanneer de nacht zal komen.  
Juist als het donker is, ben Ik je zeer nabij.  
Ik wil mijn liefde over je doen stromen.  
Mijn moede kind: Vertrouw je toe aan Mij.  
Geef Mij je hand  
Ik durf je zo te vragen met Mij te gaan.  
Ik zal je helper zijn.  
  
122  
Niemand leeft voor zichzelf.  
Niemand sterft voor zichzelf.  
Wij leven en sterven voor God, onze Heer,  
aan Hem behoren wij toe.  
  
123   
Laat mij, o Heer,  
 mijn leven in Uw handen leggen.  
En leer mij telkens weer:  
”Uw Wil geschiede …” zeggen.  
  
124   
Door de goede machten wonderbaar geborgen  
verwachten wij getroost wat komen mag. 
God is met ons in d’ avond en de morgen 
en zeer beslist op elke nieuwe dag.  
  
125   
En niet onverwacht  
werd hij opnieuw geboren en getogen.  
God heeft zijn licht ontstoken in de nacht 
en gaf hem een levend hart  
en nieuwe ogen.  

126  
Je bent je weg gegaan,  
in wind en tegenwind,  
in licht en donker,  
in voor- en tegenspoed.  
Zo hebben wij elkaar ontmoet.  
En toch, God droeg je in de palm van Zijn hand.  
Zie, Ik heb u in mijn handpalmen gegrift. 
Jesaja 49 :16  
  
127   
God heeft ons geen kalme reis beloofd,  
maar wel een behouden aankomst in Jezus Christus.  
  
128  
Heer, leg Uw stille dauw van rust  
op onze duisternis.  
Neem van ons hart de vrees, de lust,  
en maak ons innerlijk bewust  
hoe schoon Uw vrede is.  
  
129   
”Ik weet aan wie ik mij vertrouwe,  
al wisselen ook dag en nacht.  
Ik ken de rots waarop ik bouwe,  
hij feilt niet, die Uw heil verwacht.”  
  
130   
Neem, Heer, mijn beide handen  
en leidt Uw kind  
tot ik aan de eeuwige stranden  
de ruste vind.  
  
131  
Het is waar, de dood kunnen wij niet ontgaan  
Dat is zo erg niet  
Want dan begint de grote logeerpartij  
Bij een gastheer die zo boeiend is  
Dat de tijd volledig stil gaat staan  
En eeuwig wordt   
Godfried Bomans –  
  
132  
Heer, sla uw armen om mij heen  
ik ben verdrietig, mateloos alleen  
want wie ik liefhad ging van mij heen  
de liefde heeft niet het hoogste  
maar wel het laatste woord  
  
133  
Dwars door de stille leegte  
klinkt de echo van jouw lach  
Zachtjes, van een afstand  
alsof ik je daarnet nog zag  
Steeds denk ik aan jouw grappen  
steeds hoor ik weer jouw stem  
Dan voel ik weer die leegte  
omdat jij er niet meer bent  
  
134  
Jouw sterven is zo moeilijk te verwerken  
het doet nog zoveel pijn  
te moeten leven met de gedachte  
dat jij nooit meer bij me zult zijn  
Jouw sterven is zo moeilijk te begrijpen  
afscheid nemen ging niet meer  
te weten dat ik jou voorgoed moet missen  
dat doet zo verschrikkelijk veel zeer  
Ik had je nog zoveel te zeggen  
nog zoveel dingen uit te leggen  
naar ik weet, er komt een keer  
dan zien wij elkander weer  
  
135  
De bomen komen uit de grond  
En uit hun stam de twijgen  
En ied’reen vindt het heel gewoon  
Dat zij weer bladeren krijgen  
We zien ze vallen naar de grond  
En dan opnieuw weer groeien  
Zo heeft de aarde ons geleerd  
Dat ál wat sterft zal bloeien  
Toon Hermans –  
  
136  
Herinnering  
Als dit het einde is  
en verder niets  
dan is er leegte  
gemis, verdriet en  
tranen om wat eens was  
en niet meer is  
Maar er is meer  
dan lijf en leden  
veel meer  
want wat een mens bezielt  
dat is, dat was  
zijn geest, zijn kracht  
zijn denkvermogen  
alle gaven van zijn hart:  
zijn goedheid grenzeloos  
de sterkte van zijn woord  
zijn hartelijk gebaar  
Dat alles leeft  
leeft voort in die hem kenden  
die van hem hielden  
en blijven houden  
omdat zijn geest  
nooit, nooit vergaat  
  
137  
Daar alleen kan liefde wonen  
daar alleen is ’t leven goed  
waar men stil en ongedwongen  
alles voor elkander doet  
  
138  
Omdat er liefde is  
bestaat er geen voorbij  
in alle eeuwigheid ben jij  
  
139  
O, die vertrouwde kleine dingen  
die je zo onopvallend deed  
die zullen we missen, tot dit leed  
verstild is tot herinneringen  
  
140  
Liefste, m’n liefste  
wat zullen we je missen  
maar de herinnering aan jou  
is niet uit te wissen  
we hadden zo graag  
als gezin bij elkaar gebleven  
helaas bleek dat een onhaalbaar streven  
  
141  
Je bent er niet meer  
en toch zal ik je groeten  
je elke dag weer  
vele malen ontmoeten  
je handen, je lippen, je lach  
je bent bij me  
iedere dag  
  
142  
Je wilde liever bij ons blijven  
maar de dood was veel te sterk  
Je kon de pijn niet meer verdrijven  
ondanks al jouw werk  
Je hebt geploeterd en gestreden  
zoals geen mens ooit strijden wou  
Ben niet droef, maar wees tevreden  
je bent weer samen met je vrouw  
We hebben steeds van jou gehouden  
in jouw leven lag de kracht  
Waarop wij steeds ons leven bouwden  
lieve opa, rust maar zacht  
Hermien Lok –  
  
143  
Als ik zo naar zijn foto staar  
zegt mij dat plotseling meer dan al die woorden  
die hij over mij heen liet gaan  
nu hij mij heeft verlaten  
wil ik hem zo graag voor even horen prate  
Lieve …….., ik mis hem zo  
heel voorzichtig laat ik een traan  
over mijn koude wangen gaan  
helaas kon hij niet langer leven meer  
er was zo veel beschadigd deze keer  
afscheid nemen, het doet zo’n zeer  
  
144  
Zijn stem zwijgt voor altijd  
zijn ogen voorgoed gesloten  
de oneerlijke strijd  
heeft hij voor ons besloten  
Ik weet, hij is niet meer  
maar begrijpen doe ik het niet  
waarom kwam hij niet weer  
toen hij ons hier achterliet  
Het gebeurde te snel  
hij ging te vroeg  
ik heb je nodig  
we hadden nog zoveel voor de boeg  
  
145  
You stood resigned  
in a garden of snow  
under a black sky  
the moon and stars  
far away   
Then  
you had to leave  
May your soul rest  
may your heart heal  
may you feel free  
at last  
May love find you  
in your new garden  
wherever  
that may be  
  
146  
Langzaam ben je van ons weggegleden  
Elke dag een beetje meer  
Telkens werd je weer iets ontnomen  
Dat deed jou en ons zeer  
Het is een gemis, een stille pijn  
Dat je nooit meer bij ons zult zijn  
  
147  
Als het leven lijden geworden is  
De kans op beter worden hier niet is  
Dan zal ik naar een plek toegaan  
Waar ziekte en pijn niet meer bestaan  
  
148  
Ondernemen en werken, dat was jouw leven  
altijd het beste en harmonie nastreven  
Toen het werk was gedaan en jij meer wilde geven  
velde het lot jou voor een jaar of zeven  
De stilte viel zwaar, duurde lang als de nacht  
hoe moeilijk is het vechten  
bij het ontbreken van de kracht  
Bij het verlies is de rust die jij hebt gekregen  
een troost voor ons, die jij zo’n mooi  
voorbeeld hebt gegeven  
  
149  
Veel gelukkige jaren waren we samen  
samen waren we één  
maar nu jij er niet meer bent  
moeten we verder zonder jou  
dus alleen  
  
150  
Ik vind geen woorden om het je te zeggen  
hoe wij hem zullen missen, allemaal  
Het diepste gevoel is moeilijk uit te leggen  
het hart spreekt een niet uit te spreken taal  
Dit sterven is zo moeilijk te verwerken  
zijn leven was ons allen zoveel waard  
Hij was een van die stille, geestelijk sterken  
die iedereen, alleen zichzelf niet spaart  
Ik vind geen woorden om je troost te brengen  
want hier zwijgt mijn verstand, mijn mond staat stil  
Wie kan zijn leven met één dag verlengen?  
het is precies zo lang als God het wil  
Ik weet het niet, ik kan de zin niet vinden 
van wat God met dit sterven heeft bedoeld  

151  
Als ik dood ben, treur dan niet  
ik ben niet echt dood, moet je weten  
het is mijn lichaam dat ik achterliet  
dood ben ik pas als je mij bent vergeten  
  
152  
Wanneer je terugblikt in het leven  
Blijkt alles te snel zijn gegaan  
Het duurde allemaal maar even  
Dat ritme van een lach en een traan  
Alles moest je uit handen geven  
Het levenstempo werd te zwaar  
Het radarwerk heeft het begeven  
Het uurwerk is stil blijven staan  
  
153  
Zo plotseling ben je van ons heengegaan  
Daar heeft niemand ooit bij stilgestaan  
Wat in onze herinnering blijft is je lach  
Je genoot van het leven  
Bedankt voor alles wat je hebt gegeven  
  
154  
Ik heb mijn oma niet verloren  
daarvoor gaf ze mij te veel  
wat zij me zei dat blijf ik horen  
van wat ik ben is zij mijn deel  
ik kom haar overal tegen  
in wat ik doe, in wat ik laat  
zij was en blijft voor mij een zegen  
waarvan het spoor steeds verder gaat  
  
155  
Niets is zinloos  
wanneer het  
een herinnering  
nalaat  
  
156  
Samen plezier, samen op reis  
Samen een eenheid, samen eigenwijs  
Samen kwaad en samen goed  
Samen verdriet en samen weer moed  
Nu verder zonder jou, dat doet pijn  
te weten nooit meer samen te zijn  
  
157  
Aan het begin van de avond  
hield hij op met z’n bestaan  
met z’n vrouw en kinderen om hem heen 
is hij heengegaan  
Wat we hadden willen zeggen  
is niet meer gezegd  
zachtjes heeft hij z’n  
vermoeide lichaam neergelegd  
Helaas was er geen tijd meer om te praten  
op die zondag heeft hij ons verlaten  
alles waarvoor hij in z’n leven vocht  
we hopen dat hij zal vinden wat hij zocht 
  
158  
Ik was er niet op voorbereid  
het ging allemaal zo vlug  
waarom gunde hij ons niet nog wat meer tijd  
kom alsjeblieft nog even terug  
Ik kan hem niets meer zeggen  
ik kan hem niets meer vragen  
de herinnering aan hem  
zal echter nimmer vervagen  
geef me nog eenmaal  
voor de allerlaatste keer  
de kans afscheid te nemen van hem  
en verzacht daarmee dit onbegrijpelijke zeer  
  
159  
Zoveel moed getoond  
zo intens gestreden  
niet eens voor zichzelf  
liefde was haar reden  
  
160  
Achter tranen van verdriet  
schuilt de glimlach van herinnering   
  
161  
Bloemen vol dartelende vlinders  
en wind die zachtjes ruist door de bomen 
Ik zie mijn bloementuin en weet  
de tijd van rust is nu eindelijk gekomen  
  
162  
Ik wil de dromen van bergen dromen  
en zingen in een juichend vogellied  
Ik wil vergeten al mijn grauw verdriet  
en eindelijk weer de stille rust verwerven 
een kind van God te zijn – en anders niet  

163  
Nu pijn en zorgen niet meer hoeven  
en de hemelse rust is gekomen  
zullen wij elkaar ontmoeten  
en vrolijk praten over vroeger  
  
164  
Veel heb je ons gegeven  
veel heb je voor ons betekend  
plotseling uit ons leven gedreven  
blijf je in onze harten leven  
  
165  
Elk definitief afscheid doet pijn  
’t is of een draad wordt doorgesneden  
waarmee je vast zat aan ’t heden  
waardoor je deel van een geheel mocht zijn  
  
166  
Rozen als afscheid, rozen vol rouw  
rozen vol liefde, enkel voor jou  
Je laatste rozen  
zorgvuldig uitgekozen  
Als blijk van dank voor jouw bestaan  
waarin wij een eindje mee mochten gaan  
  
167  
Je was als een kaars  
vol licht, warmte en gezelligheid  
die is nu opgebrand  
doch haar uitstraling zal blijven tot in eeuwigheid  
  
168  
Je blijft met lege handen achter  
je zou zo graag nog willen zorgen  
de tijd van waken en van wachten  
is voorbij en elke morgen  
brengt nu een lege dag vol pijn  
er rest alleen herinnering  
aan in-gelukkig zijn  
In de leegte staat zijn naam geschreven  
komt alle goeds naar boven drijven  
het allerdiepste van zijn leven  
zal altijd in ons midden blijven:  
een dierbaar mens die in zijn eenvoud  
zo vol betekenis kon zijn  
gaf aan ons leven rijke inhoud  
  
169  
Toen jij stierf  
is de wereld gewoon doorgegaan met draaien  
het werd nacht en ook weer morgen  
er was lawaai en stilte  
en ook om ons heen  
maakte het leven-van-alledag  
evenveel lawaai als anders  
alleen bij ons kwam dat harder aan dan normaal  
Wat deed het pijn  
te zien en te horen  
dat alles gewoon doorging  
toen jij gestorven was  
Wreed en onverschillig  
genadeloos en onbarmhartig was het  
en elke indruk stak dieper  
deed meer pijn  
Nee, ze kunnen niet weten  
wat wij nu voelen  
die steken pijn  
van afgesneden zijn  
en nooit meer samen….  
ach, niets zal meer hetzelfde zijn  
zonder jou  
  
170  
De zon nam haar die avond mee  
achter de einder, waar het altijd licht is  
Wij bleven samen achter met een sterrenhemel  
vol herinneringen  
  
171  
Leven is dankbaar zijn  
voor het licht en de liefde  
voor de warmte en de tederheid  
in mensen ons omgeven  
leven is mensen en dingen omhelzen  
en weer loslaten….  
  
172  
Als mijn tijd gekomen is  
ik afscheid neem van het leven  
merken jullie, in al je eenzaamheid  
dat ik onzichtbaar bij jullie ben gebleven  
  
173  
Veel lichtpuntjes in deze duisternis  
Sterkte gewenst bij dit groot gemis!  
  
174  
Zwijgzaam, stil en zonder vragen  
wilde hij zijn ziekte dragen  
hij vocht met al zijn levenskracht  
voor elke nieuwe dag en nacht  
zo is hij langzaam, moegestreden  
uit ons midden weggegleden  
en na een dappere maar ongelijke strijd  
uit zijn lijden nu bevrijd  
  
175  
Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde  
nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten  
ik leverde bewijs van mijn bestaan  
omdat door het verleggen van die ene steen  
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan  
– Bram Vermeulen –  

176  
Het is nu één jaar geleden  
een jaar is nu voorbij  
die tijd dat hij voor zijn leven heeft gestreden  
is als de dag van gisteren voor mij  
Hij moest de strijd opgeven  
ook al wilde hij dat niet  
hij mocht niet verder leven  
dat deed mij veel verdriet  
  
177  
De strijd heb je nimmer opgegeven  
zelfs toen het einde werd verwacht  
je bleef geloven in het leven  
vol liefde, zorg en levenskracht  
  
178  
Je bent er niet meer  
het is voorbij  
al wat je deed  
dat was voor mij  
Voor jou is nu de strijd gestreden  
maar in mijn hart  
bewaar ik het verleden   
  
179  
Zoals een boot heel langzaam  
achter de horizon verdwijnt  
zo hebben wij de laatste jaren  
stap voor stap  
afscheid van je moeten nemen  
wat blijft zijn onze herinneringen  
  
180  
Je verleden bestond uit werken en een groot besef van plicht  
dit alles bepaalde steeds weer jouw gezicht  
Je was een man van weinig woorden  
herkenbaar voor hen die echt bij je hoorden  
Een vriend, oprecht, waar je altijd op kon bouwen  
jouw woord gaf ons een grenzeloos vertrouwen  
Bescheidenheid stond in het vaandel van je leven  
liefde en vriendschap, dat is wat je altijd hebt gegeven  
  
181  
Samen plezier, samen op reis  
samen een éénheid, samen eigenwijs  
samen kwaad en samen goed  
samen verdriet en samen weer moed  
nu verder zonder hem, dat doet pijn  
te weten nooit meer samen te zijn  
  
182  
Het is ons maar geleend  
de vele mooie dingen  
Ons onbetwistbaar eigendom  
zijn de herinneringen  
  
183  
Ik kan gaan slapen zonder zorgen  
want slapend kom ik bij U thuis  
alleen bij U ben ik geborgen  
Gij doet mij rusten in de morgen  
en wonen in een veilig huis  
  
184  
Moeder  
Omdat jij de ader was waaruit wij groeiden  
Omdat jij de bodem was waaruit wij bloeiden  
Omdat jij wist wat ons kon deren  
Zullen wij je altijd eren  
  
185  
Optimistisch tot het laatste  
Niet moeilijk maken voor je naasten  
Gesloopt van al je krachten  
Bleef je op een betere dag wachten  
Wij waren jouw lust en je leven  
Maar er is geen tijd meer gegeven  
Jij streed vol moed en kracht  
Lieve schat, rust nu maar zacht  
  
186  
Stil ben je van ons heengegaan  
je hebt altijd voor ons klaargestaan  
geborgenheid en liefde heb je ons gegeven  
zo was je hele leven  
je was een schat voor ons allen  
je te moeten missen zal ons zwaar vallen  
  
187  
Het diepste verdriet  
wordt zo dikwijls verzwegen  
Voor ’t diepste geluk  
schieten woorden tekort  
Wij zijn met ons diepste  
verlangen verlegen  
Waar ’t liefste bezit  
slechts herinnering wordt  
  
188  
Afscheid nemen  
is met zachte vingers  
wat voorbij is  
dichtdoen  
en verpakken  
in de goede gedachten  
ter herinnering  
  
189  
Gek is dat, dat soms de sterren  
mij wat liefde kunnen schenken  
Want als ik naar de sterren kijk  
moet ik altijd aan je denken  
  
190  
Als ik dood ben  
niet die theatrale rouw  
Neem wat Franse kaas  
wat stokbrood en wat wijn  
Ik wil ook niet  
in een vaasje op de schouw  
Ik wil gewoon  
een stukje kerkhof zijn  
– Toon Hermans –  
  
191  
’t Liefste wat wij hebben bezeten  
en vele jaren de spil van ons bestaan  
vraag ons niet dat te vergeten  
en gewoon weer door te gaan  
  
192  
Bedankt voor je liefde, je trouw, je eerlijkheid  
Voor de lach van bijna iedere dag  
Voor het geluk dat je ons hebt gegeven  
Deze dingen duren altijd te kort  
  
193  
Al maanden staat het huis verlaten  
haastig onttakeld en verdaan  
de ijsbloemen staan op het raam  
in scherpgenerfde varenbladen  
schittert onuitgewist uw naam  
  
194  
Voor ons was je een licht  
voor vreemden duisternis  
Je markante persoonlijkheid en je vrolijke gezicht  
zullen wij ervaren als een groot gemis  
Want een dag zonder lach  
was voor jou geen dag  
Van vele dingen had je nooit genoeg  
je laatste reis kwam veel te vroeg  
  
195  
Weinig nemen en veel geven  
Altijd hartelijk en warm  
Als de mensheid zoals jij was  
Was de wereld niet arm  
  
196  
De vlinders zijn gevlogen  
Zij zijn weer eindelijk thuis  
Ver voorbij de regenbogen  
passeerden zij die “sluis”  
Die “sluis” tussen de hemel en de aarde  
daar zweefden zij samen doorheen  
Dat heeft zoveel waarde  
zij zijn nooit meer alleen   
  
197  
Waarom al dat vechten  
waarom al die pijn  
Je wilde hier niet weg  
je wilde bij ons zijn  
De strijd was oneerlijk  
en geheel niet terecht  
Je wilde nog graag verder  
maar verloor dit gevecht  
– Ria Schut-Diks –  
  
198  
Daar staat de ronde regenboog  
zo trots, zo koninklijk en hoog  
Hij buigt om heel de aarde heen  
die is opeens niet meer alleen  
Maar in een grote arm gevangen  
met al haar zorg, al haar verlangen  
En alle mensen blijven staan  
en zien de mooie hemel staan  
En alle mensen denken even  
hoe goed het is te mogen leven  
  
199  
Do not stand at my grave and weep  
I am not there, I do not sleep  
I am a thousand winds that blow  
I am the diamond glints on snow  
I am the sunlight on ripened grain  
I am the gentle autumn rain  
When you awaken in the morning’s hush 
I am the swift uplifting rush  
of quiet birds in circled flight  
I am the soft stars that shine at night  
Do not stand at my grave and cry  
I am not there – I did not die  
  
200  
Mijn eigen situatie vergelijk ik met de wind  
die je nodig hebt om te zeilen  
Je moet zeilen met de wind van vandaag  
Die van gisteren helpt me niet meer vooruit  
Die van morgen die blijft misschien wel uit  
Dus moet ik zeilen met de wind van vandaag